Sunday, November 20, 2016

Moeten vakbonden zich met de politiek bemoeien

In maart 2017 wordt er gestemd voor de Tweede Kamer. Op de kandidatenlijsten staan verschillende bekende personen met een vakbondsachtergrond, maar dit valt in het niet bij de situatie voor 1960, toen één op de vijf Kamerleden een vakbondsachtergrond had.

Hoeveel vakbondsmensen er op de kandidatenlijsten staan is op zich niet zo belangrijk. Belangrijker is hoe vakbonden zich verhouden tot de politiek. In Den Haag (en Brussel) worden de spelregels gemaakt die de verhoudingen op de arbeidsmarkt bepalen. En vaak trekken werknemers daarbij aan het kortste eind. Vakbonden mogen zich best wat assertiever met de politiek bezighouden - maar hoe?

Opkomst bevorderen

Bij landelijke verkiezingen blijft 20 à 25% van de kiesgerechtigden thuis; bij lokale verkiezingen vaak zelfs bijna de helft. En de opkomst is ongelijk: hoog opgeleiden stemmen vaker dan laag opgeleiden; ouderen vaker dan jongeren. In rijke buurten zoals de Apollobuurt in Amsterdam-Zuid is de opkomst hoog en wordt vaak op VVD en D66 gestemd. In armere buurten zoals Bijlmer-Centrum en Geuzenveld wordt vaker op PvdA en SP gestemd, maar hier blijven veel mensen thuis bij verkiezingen (toelichting).

In het buitenland zijn er vakbonden die met succes kiezers mobiliseren. De effectiviteit van opkomstcampagnes is wetenschappelijk onderzocht. Nederlandse vakbonden zouden de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 kunnen aangrijpen om bij wijze van pilot een opkomstcampagne te voeren in enkele buurten in de grote steden.

Politieke campagnes
In Amerika wordt onder de naam Fight for fifteen campagne gevoerd voor echte banen en een minimumloon van $15. In Nederland is de Young & United-campagne gelanceerd om een einde te maken aan de extreem lage jeugdlonen. De campagnes hebben gemeen dat ze werknemers mobiliseren, dat ze succesvol zijn en dat ze opmerkelijk veel maatschappelijke steun krijgen. Maar ook de achterliggende strategie is interessant: beide campagnes willen duurzaam verandering brengen in de verhoudingen op de arbeidsmarkt.

Young & United streeft niet alleen naar eerlijk loon, maar wil ook iets doen aan de cultuur van goedkope, kortdurende arbeidscontracten. Fight for fifteen gaat niet alleen over het minimumloon, maar ook over het recht van werknemers om zich te organiseren.

Uit onderzoek blijkt dat bijna driekwart van de werknemers het belangrijk vindt dat er sterke vakbonden zijn (en onder jongeren is het percentage nog hoger).[1] Toch zijn veel van die werknemers zelf geen lid. Dat kan te maken hebben met free riding (niet meedoen maar wel profiteren), maar het kan ook te maken hebben met de organisatie van het werk. Onzekere contracten maken het bijvoorbeeld moeilijker voor werknemers om zich te organiseren en een vuist te maken.

Vakbondscampagnes kunnen via de politiek de spelregels van de arbeidsmarkt veranderen en daarmee hindernissen wegnemen voor werknemers om zich te organiseren. Dat kan door een betere bescherming van arbeidsrechten, maar ook door maatregelen tegen verschijnselen zoals onzekere arbeidscontracten, legislation shopping, het ontwijken van cao’s en machtsconcentraties van bedrijven.

Vakbond als emancipatiemachine
Het is aardig als politieke partijen kandidaten met een vakbondsachtergrond op hun kandidatenlijst plaatsen, maar zeker zo belangrijk is waar het vakbondskader vandaan komt.

Vanouds functioneerden vakbonden als emancipatiemachine. Ze boden ruimte aan kaderleden om opleidingen te volgen en om door te groeien naar leidende posities in de bond en soms ook in de politiek. Maar geleidelijk zijn de vakbonden ‘geprofessionaliseerd’ en spelen beroepskrachten een grotere rol. “Herman Bode en Arie Groeneveld waren voor hun achterban nog ‘een van ons’, maar dat gold al een stuk minder voor Wim Kok en Lodewijk de Waal”, schreven Mark Bovens en Anchrit Wille in Diplomademocratie (2011).

Afkomst en opleiding bepalen voor een belangrijk deel welke kansen je krijgt in de samenleving. Zonder academische of hbo-opleiding kom je nauwelijks nog in aanmerking voor een Kamerlidmaatschap. Vakbonden kunnen die ongelijkheid terugdringen door hun leden meer mogelijkheden te bieden om zich te ontwikkelen en door te groeien.[2]

Op 26 november organiseert de Vakbondshistorische Vereniging een bijeenkomst over Vakbeweging en politiek. Zie ook de analyse van Floor van Gelder.



  1. Daryl D’Art en Thomas Turner (2013), Trade unions in Europe: Still a relevant social force? In: Are trade unions still relevant? Union recognition 100 years on. Orpen Press. Ook onderzoek van TNO/CBS laat zien dat een ruime meerderheid van werknemers belang hecht aan vakbonden.  ↩
  2. De FNV heeft inmiddels stappen gezet om kaderleden weer actiever bij de bond te betrekken, maar die klus is nog niet af.  ↩

Friday, November 4, 2016

De nieuwe voorzitter en de koers van de FNV

In 2013 mochten FNV-leden voor het eerst rechtstreeks hun voorzitter kiezen. De verkiezing werd spannender dan verwacht toen uitdager Corrie van Brenk een serieuze kanshebber bleek. Het ging niet alleen om personen, maar ook om de koers van de FNV. Een meerderheid koos voor het polderen en folderen van Ton Heerts, maar opvallend veel leden wilden dat de bond nog wat meer ambitie toont bij het mobiliseren van werknemers.

Vanaf 1 februari 2017 mogen we een nieuwe voorzitter kiezen. Voor zover bekend zijn er drie kandidaten: Han Busker, oud-voorzitter van de Nederlandse Politiebond, een kandidaat met steun van zijn collega’s in het huidige FNV-bestuur. Irene Hemelaar, onder meer werkzaam bij de FNV Kaderacademie en tot voor kort directeur emancipatie van de Amsterdamse Gay Pride. En Robert Ensor, lid van het Ledenparlement en eigenaar van een vertaalburo. “Verkiezingen voorzitter FNV worden interessant. Goed dat er iets te kiezen valt”, reageert bestuurslid Mariëtte Patijn. De definitieve kandidatenlijst wordt 12 december bekend.

Of de verkiezing weer zo nadrukkelijk over de koers van de FNV zal gaan, valt moeilijk te voorspellen. Aan de ene kant zou dat de campagne natuurlijk wel interessant maken. Aan de andere kant moeten we niet vergeten dat er tegelijk nog een verkiezing plaatsvindt: die van het nieuwe Ledenparlement. En voor de koers van de bond is die verkiezing zeker zo belangrijk.

Bij de verkiezing van het Ledenparlement in 2013 was het lastig om een weloverwogen keuze te maken, omdat er niet zoveel informatie beschikbaar was over kandidaten. Er was destijds ook weinig tijd voor de voorbereiding en de uitvoering van de campagne.

Dit keer is er meer voorbereidingstijd. Het mooiste zou zijn als er fracties komen van kandidaten met een gedeelde visie op de bond, die zich over de sectoren heen verbinden aan een inhoudelijk programma. Op 1 december gaan de campagnes voor het Ledenparlement van start.

Thursday, October 27, 2016

Draagvlak voor vakbonden

Zestig procent van de werknemers vindt het (heel) belangrijk dat er vakbonden bestaan. Dat blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden van TNO / CBS. De antwoorden verschillen per sector: werknemers in de ICT, de financiële sector en de zakelijke dienstverlening hechten gemiddeld minder belang aan vakbonden terwijl werknemers in de zorg hier juist meer belang aan hechten.

Ook opleiding en geslacht spelen een rol. Onder laag opgeleide werknemers vindt 71 procent vakbonden belangrijk en onder vrouwen is dit 63 procent.

Soms wordt beweerd dat jongeren niets met vakbonden hebben, maar dat blijkt niet uit de cijfers. Werknemers van 15–24 jaar hechten juist iets meer belang aan vakbonden dan de gemiddelde werknemer.

Tachtig procent van de werknemers vindt het bestaan van CAO’s (heel) belangrijk. Dit betekent dat er werknemers zijn die vakbonden niet belangrijk vinden maar het wel belangrijk vinden dat er een CAO wordt afgesloten.

Meer dan tachtig procent van de werknemers is (heel) tevreden over de manier waarop vakbonden hun belangen behartigen.

Thursday, October 6, 2016

‘Business as usual’ - Verkiezingen 2016

Cees van Aanholt en Peter Greup

Wederom is er in de Verenigde Staten (VS) een confrontatie aanstaande tussen de Republikeinen en de Democraten (en een drietal onafhankelijke kandidaten). Inzet dit keer is het Presidentschap van het machtigste land van de Westerse wereld. Wie wordt de opvolger van Barack Obama? In dit artikel gaat de aandacht uit naar de Democraat Hilary Clinton en Donald Trump die de GOP op stelten zet. Hoe profileren beide kandidaten zich als het gaat om het werven van de stem van de werkende klasse. Een vergelijking van de beide kandidaten aan de hand van een drietal onderwerpen, de positie van de vakbonden, het minimum loon en de ‘right to work’ wetgeving.

Wetmatigheid
Huishoudens met een vakbond signatuur stemmen doorgaans op de kandidaat van de Democratische partij. Bij deze verkiezingen lijkt de ‘Republikein’ Trump in staat deze ‘wetmatigheid’ te doorbreken. Uit steekproeven komt naar voren dat 40% van deze populatie gevoelig is voor zijn aansprekende ‘oneliners’ en desgevraagd aangeeft voornemens te zijn op hem te stemmen.
Met zijn ‘Making America Great Again’ campagne en uitspraken als ‘we gooien een 45% toeslag op de Chinese import producten’, ‘we zullen er alles aan doen om illegale immigranten niet toe te laten dan wel uit te zetten’ of ‘de Trans Pacific Partnership deal is een afschuwelijke deal’, lijkt hij in staat Clinton in deze de loef af te steken.
Volgens Richard Trumka, voorzitter van de AFL CIO, de grootste werknemersvereniging in de VS, is er maar één manier om deze ogenschijnlijk aanlokkelijke boodschap te pareren, namelijk door het ‘onderwijzen’ van de kiezers over de feiten. Het laten zien van Trump ‘s geschiedenis van anti werknemer en anti vakbondsbeleid.
Het ‘we zullen het nog een keer uitleggen’ als remedie om dwalende leden weer terug in de eigen gelederen te voeren, klinkt enigszins badinerend, maar hoe dan ook het stemadvies van de AFL CIO moge duidelijk zijn.

Clinton versus Trump
Hilary Clinton is al sinds jaar en dag in verschillende rollen onderdeel van de politieke elite. Als kandidaat voor de Democratische partij laat zij zich leiden door het ideologisch kader van het moderne liberalisme dat staat voor sociale en economische gelijkheid, een actieve overheid die reguleert en waar nodig intervenieert.
Dit ideologisch kader geeft richting aan beleidsvoorstellen op het gehele politieke beleidsterrein. Een geheel van (schriftelijk vastgelegde) plannen dat de bron vormt voor de boodschap die tijdens campagnetijd keer op keer wordt herhaald.
Voorspelbaar en herkenbaar.
Voor Donald Trump ligt dit anders.
Er is geen sprake van een vastomlijnd (schriftelijk) vastgelegd beleidsplan dat inhoudelijk richting geeft aan zijn politieke standpunten. Zijn ideeën hebben ook weinig te maken met de Republikeinse partij. Er is geen sprake van een beleid gestoeld op een ideologie, nee, hij betreedt het politieke strijdtoneel met een boodschap waarin opportunisme en pragmatisme de toon zetten. Kaders van welke vorm dan ook lijken daarbij benauwend te werken als zouden ze de zakenman in de vormgeving van zijn politieke rol zijn beweeglijkheid ontnemen.Hoe dan ook, beiden zijn het over één ding eens; de ‘Amerikaanse’ economie als motor van de welvaart moet worden versterkt.
Wat betekent deze ambitie voor de arbeidsverhoudingen in de VS? Hoe werkt deze door in de bedrijven op de werkvloer?
Laten we de uitdaging van Trumka oppakken. Wat zijn eigenlijk de feiten?
Aan de hand van een drietal onderwerpen vergelijken we de kandidaten die met elkaar strijden om het stokje van Obama over te nemen: de positie van de vakbonden,het minimum loon en  de ‘right to work’ wetgeving.

Positie van de vakbonden
Hilary Clinton acht het noodzakelijk om samen met de vakbonden op te trekken tegen diegenen die er op uit zijn de positie van de bonden te verzwakken. ‘Samen zullen we pal staan voor wat de bonden hebben gedaan, nu doen en in de toekomst zullen doen’,
De Democraten zijn er van overtuigd dat er een belangrijke rol is weggelegd voor de vakbonden om de ambitie van het versterken van de economie waar te maken.
Het waren juist de vakbonden, aldus Clinton, die een belangrijke bijdrage leverden aan de ontwikkeling van de middenklasse en daarmee gestalte gaven aan de meest basale ‘Amerikaanse’ transactie; “Als je hard werkt en jouw deel bijdraagt, dan moet je vooruitkomen en vooruit kunnen blijven gaan”.
Clinton zegt er alles aan te zullen doen om te zorgen dat de stem van de werknemer kan doorklinken daar waar het gaat om de inzet van de factor arbeid in de publieke en private sector. Onder de paraplu van de overheid die reguleert en waar nodig intervenieert.
Kijken we naar Trump, dan is er niet direct een plan of concreet voorgesteld beleid.
Wel is er genoeg materiaal beschikbaar om een beeld te schetsen van de positie van de werknemers in het zakenimperium van Trump. Indirect geeft dit een impressie van de lijn die Trump als werkgever tot op heden gevolgd heeft en geeft het, één op één doorvertaald, een mogelijk inkijkje in wat zijn positie zal zijn als het gaat om de inzet van de factor ‘arbeid’.
Om dus een beeld te krijgen hoe Trumps ideeën over de inzet van de factor arbeid er uitzien, kunnen we ons informeren door ons te verdiepen in zijn track record.
In een onlangs verschenen publicatie van USA Today (juni 2016) wordt gesteld dat de Trump-organisatie zeker 60 keer is aangeklaagd voor het niet, dan/wel niet op tijd betalen van zijn werknemers en ‘contractors’.
Een zeer recent voorbeeld van een dergelijke aanklacht komt voort uit een conflict tussen het management van het Trump International Hotel in Las Vegas en haar werknemers en ‘contractors’.
In december, 2015, bestond er onder de werknemers het voornemen zich te verenigen en zich aldus als collectief te laten vertegenwoordigen in de onderhandelingen met het management over de arbeidsvoorwaarden. De betrokken vakbonden waren de Culinary Workers Union en de Bartenders Union, beiden aangesloten bij de werknemersorganisatie Unite HERE.
Als antwoord daarop bood het Trump management medewerkers die zich niet zouden inlaten met vakbonden, betere carrière kansen, wat in overtreding is met de National Labor Relation Act (NLRA) uit 1935. Met andere woorden; vakbondsleden werden carrière-technisch op een dood spoor gezet.
Eén van de werknemers werd zelfs ontslagen omdat ze openlijk haar steun uitsprak voor het zich laten vertegenwoordigen door een vakbond.
Eind juli dit jaar besloot de Trump organisatie het niet te laten uitdraaien op een rechtszaak voor de National Labor Relation Board (NLRB), de hoogste onafhankelijke federale instantie op het terrein van arbeidszaken, en kwam tot een schikking.
De President van de AFL-CIO heeft geen enkele twijfel over de positie van Trump. Trump’s keuze voor Mike Pence als ‘running mate’, bewijst volgens hem eens temeer de ware bedoelingen van Trump, namelijk het dienen van de belangen van ‘corporate America’ ten kosten van die van haar werknemers.
Mike Pence, oud gouverneur van Indiana is een fervent aanhanger van de vrije markt, tegen het verhogen van het minimum loon en voorstander van de ‘right to work’ wetgeving, waarover later meer.

Minimum loon
Dit onderwerp staat hoog op de agenda. De federale minimum loon bepalingen zijn vastgelegd in de uit 1938 stammende  ‘Fair Labor Standards Act’ (FLSA). Sinds 2009 heeft de federale overheid $7,25 per uur als minimum loon verplicht gesteld.
De Obama administration steunt de ‘Raise the Wage Act’  zoals ingediend  door de Democratische Senator Patty Murray en Robert  C Scott, lid van het Huis van Afgevaardigden voor de Democraten. Daarin wordt voorgesteld het minimum uurloon te verhogen naar $12 per 2020.
Eén van de belangrijkste overwegingen van de tegenstanders van dergelijke wetgeving (en dat zijn niet alleen Republikeinen) is dat het verhogen van het minimum loon zou leiden tot een verlies van werkgelegenheid.
Onderzoek zou aantonen dat 500.000 arbeidsplaatsen in het geding zouden zijn. Een dergelijke impact op de werkgelegenheid wordt echter door ander onderzoek weersproken.
Een zorg die opvallend genoeg op het niveau van de staten (ook staten waar de Republikeinen domineren) een verhoging niet in de weg staat met daarbij de staten Washington, New York en Californië als voorlopers.
Clinton is in lijn met Obama voorstander van een verhoging van het minimum loon.
Het vergroot de mogelijkheid voor de werkenden om van één baan rond te komen.
Ze zal al haar invloed uitoefenen voor een verhoging van het minimum loon op federaal niveau naar $12 per uur. Ze acht dit als inzet politiek haalbaar.
 Op staat- en regionaalniveau, zal ze – onder druk van de Sanders campagne - als leider van de Democratische partij zich inzetten om de ondergrens naar $15 te tillen.
Dat het de Democraten menens is blijkt onder meer uit het feit dat de Democratische gouverneur Cuomo van de staat New York, vooruitlopend op nationale wetgeving, al een verhoging van het minimum loon naar $15 voor werknemers in dienst van de overheid heeft ingevoerd.
Deze wordt geleidelijk ingevoerd, om te beginnen bij de ambtenaren in de stad New York, die vanaf eind 2018 kunnen rekenen op dit loon. In de daaropvolgende drie jaar zal dit worden doorgevoerd voor de overige ambtenaren van de staat New York.
Trump daarentegen verklaarde in het presidentskandidaten debat van de Republikeinen, november 2015, het verhogen van het minimum loon geen goed idee te vinden.
In mei 2016 lijkt hij daar enigszins op terug te komen. In een interview met CNN stelt hij dat iedereen voldoende inkomen moet hebben om hem of haar in staat te stellen te voorzien in het eigen levensonderhoud. En inmiddels heeft hij zich toch in concretere bewoordingen over dit onderwerp uitgelaten: een minimumloon va10 zou een bestaansminimum garanderen.
Trump draait de discussie rondom het minimum loon echter om. Hij zet in op het scheppen van zoveel banen, dat een discussie over het minimum loon niet meer nodig is. Schaarste op de arbeidsmarkt zal vanzelf de lonen opdrijven.
Is hier sprake van een breuk met de Republikeinse koers, of is dit verkiezingsopportunisme?
Mike Pence, de running mate van Trump, toont zich nog steeds een fel tegenstander. Een verhoging van het minimumloon op federaal niveau zou volgens hem een negatieve impact kunnen hebben op de laagste inkomensgroepen in de VS. Het zou leiden tot een aanzuigende werking op immigranten (zogenoemde ‘undocumented workers’ ) en het off shore plaatsen van arbeidsplaatsen stimuleren.
Wat is nu in deze de koers die het kamp Trump voert? Zoekt Trump de verzoenende (presidentiële) toon waar Pence de harde lijn verwoordt? ‘Good cop, bad cop’!?

Right to work
De ‘right to work’ wetgeving is onderdeel van de Labor Management Relation Act (LMRA) uit 1947.
De naam van deze wetgeving zet een verkeerd beeld neer. Het is wetgeving die primair gericht is op het beschermen van de werkgevers.
Het biedt staten de mogelijkheid om verplicht vakbondslidmaatschap en het verplicht betalen van contributie, de zogenaamde ‘closed shop’ te verbieden. Staten kunnen zich door het aannemen van deze wetgeving positioneren met een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor ondernemingen en investeerders.
Als presidentskandidaat voor de Democraten houdt Hilary Clinton vast aan de inzet van de Obama administration. Werknemers moeten in staat worden gesteld om ‘een eerlijk aandeel van de voorspoed voor henzelf uit te onderhandelen’. Alle wetgeving die dit onmogelijk maakt moet worden bestreden.
Clinton manifesteert zich in lijn daarmee als een fel tegenstander van ‘right to work’ en benadrukt daarbij, net als Obama, de negatieve impact van deze wetgeving op het herstel van de middenklasse. Een sterke middenklasse ziet zij als een belangrijke voorwaarde voor het versterken van de economie in de VS. Vakbonden spelen een belangrijke rol in de inkomensontwikkeling en het zekerstellen van de koopkracht van werknemers. En versterken daarmee de ontwikkeling van de middenklasse.
Tijdens de jaarlijkse conventie van de AFL-CIO in april dit jaar benadrukte zij dat de ‘right to work’ wetgeving leidt tot stagnatie in de inkomensontwikkeling en tot inkomensongelijkheid. Daar waar staten deze wetgeving hebben ingevoerd en daarmee de invloed van de vakbonden is verkleind - volgens Clinton onder druk van ‘corporate interest’ - heeft deze ontwikkeling zich laten zien.
Trump houdt ten aanzien van dit onderwerp vast aan de traditionele Republikeinse lijn, dezelfde die ook vier jaar geleden in de race voor het Presidentschap door Mitt Romney werd verwoord. Hij is een voorstander van de ‘right to work’ wetgeving en onderbouwt dat met twee overwegingen.
Ten eerste benadrukt hij dat het een recht is van werknemers om ergens in dienst te kunnen treden zonder de verplichting lid te zijn of worden van een vakbond en daarvoor verplicht contributie af te dragen.
Een tweede overweging betreft de flexibiliteit die deze wetgeving biedt aan staten, in het bijzonder aan staten die kampen met een zwakke economie, om zich te positioneren als ondernemings-vriendelijk. Invoering van de wetgeving maakt deze staten aantrekkelijker voor het doen van investeringen. Het geeft de ondernemers in hun rol van werkgever meer ruimte om in vrijheid invulling te geven aan lonen en arbeidspraktijken.
Pence verdedigde de invoering van de ‘right to work’ wetgeving door zijn opvolger in de staat Indiana met de hierboven gegeven argumenten.

Business as usual
 Clinton wil dat werknemers zich kunnen organiseren en gerechtigd zijn om zich als collectief ‘een eerlijk aandeel van de voorspoed voor henzelf uit te onderhandelen’. Binnen het huidige institutionele kader, dat de arbeidsverhoudingen reguleert dient daarom de positie van de werknemer te worden versterkt.
Haar positie op dit gebied vormt een integraal onderdeel van haar plannen om de economie er weer bovenop te krijgen. Het groeiend aantal staten dat de ‘right to work’ wetgeving omarmt, vormt daarin een bedreiging.
In 2008 ondernam Obama met de introductie van ‘Employee Free Choice Act’ (EFCA) een poging om de positie van de werknemer te versterken. Als medeauteur van EFCA zag hij in deze wetgeving een belangrijke bouwsteen voor de wederopbouw van de middenklasse. De EFCA zou er voor moeten zorgen dat werknemers hun recht op organisatie ook weer daadwerkelijk kunnen uitoefenen.
Het is Obama in de eerste twee jaar van zijn eerste ambtstermijn niet gelukt om de EFCA door een door een door de Democraten gedomineerd Congress te loodsen. De EFCA bleek zelfs voor Democraten ‘too labour friendly’.
Hoe dan ook Clinton zal zich met hand en tand verzetten tegen initiatieven gericht op een verdere verzwakking van de positie van de werknemers. En als de verhoudingen in het Congress het toelaten zal ze zeker niet schromen om nogmaals een poging te ondernemen om de EFCA aangenomen te krijgen. Het zou een kroon zijn op het werk van Obama.
Trump verwacht in deze heil van de tucht van de vrije markt werking.
Inkomens worden zoveel mogelijk aan de vrije markt overgelaten. Deze zal, mits niet belemmerd door een interveniërende overheid, het herstel van de economie bevorderen en daarmee de belangen en de inkomens van alle werknemers zekerstellen.
Daar waar Clinton de succesvolle opkomst van de ‘right to work’ wetgeving ziet als een bedreiging voor al het goede dat de georganiseerde arbeid met zich heeft meegebracht, is de wetgeving, aldus Trump, voorwaardelijk voor het herstel van de economie en daarmee een stap in de goede richting.
Trump zal net als zijn Republikeinse voorgangers, zich sterk maken voor het zekerstellen van marktwerking als het mechanisme dat mits niet belemmerd ook binnen het bedrijf de belangen van de medewerkers dient. Zonder dat deze de belangen en het succes van de organisatie schaadt.
Vanuit de morele overtuiging van de sociale en economische gelijkheid zal Clinton zich met een actieve overheid die reguleert en waar nodig intervenieert hetzelfde willen bereiken.
Andere spelers, andere toon, maar bottom-line ‘business as usual’.

Cees van Aanholt is socioloog en Peter Greup is bedrijfskundige. Samen publiceren ze over onderwerpen op het terrein van de arbeidsverhoudingen in de Verenigde Staten.

Friday, September 2, 2016

New York: Duizend werkers bij Zara hebben nu een vakbond

Modeketens als H&M en Zara lijken een beetje op fastfood, ook in hun personeelsbeleid. Dat is althans de ervaring in New York: een hoog personeelsverloop, veel kleine banen, onderbetaling en problemen met de werktijden. Toch is het de werknemers van Zara gelukt om zich te organiseren, zo schrijft LaborNotes.

Ze kregen hulp van een lokale organisatie die trainingen organiseert voor werknemers. Ze leren hoe de detailhandel in elkaar zit, hoe ze problemen op hun werk in kaart kunnen brengen en hoe ze hun collega’s kunnen organiseren.

Acties leverden resultaat op: meer fulltime banen, een einde aan de oproepdiensten en een salarisverhoging. Maar om duurzaam iets te veranderen hadden we een vakbond nodig, zo concludeerden ze. Uiteindelijk kregen ze ook dat voor elkaar - mede dankzij een global framework agreement tussen Zara en de internationale vakbondskoepel UNI.

Sunday, August 21, 2016

Deliveroo, Uber: Hoe organiseer je de gig economy

Deliveroo-koeriers in Londen behaalden onlangs een overwinning nadat ze in verzet waren gekomen tegen plannen om hun banen nog onzekerder te maken. Ze legden het werk neer, protesteerden bij het Londense kantoor van het maaltijdbezorgbedrijf en weigerden het management hun klachten invidueel te laten behandelen. Als compensatie voor het inkomensverlies dat ze door de staking leden creëerden ze een stakingskas. Via crowdfunding wisten ze £12,994 aan kleine donaties te verzamelen.

Hilary Osborne en Sarah Butler van de Guardian verkennen wat hun overwinning betekent voor de mogelijkheden om de bredere gig economy te organiseren, die bestaat uit bedrijven als Uber en Deliveroo met extreem onzekere banen.

Een voor de hand liggend obstakel voor het organiseren van gig workers is dat ze vaak individueel werken. Een mogelijke manier om met ze in contact te komen zou eruit kunnen bestaan om naar Amerikaans voorbeeld worker centres op te zetten waar vrijwilligers advies geven. En natuurlijk zijn er de sociale media. Alex Wood van Oxford University:
Even amongst the workers who are working around the world from home we find most of them join online social networks through Facebook, forums and blogs […] These networks form the basis for people to share dissatisfactions.
Rechtzaken kunnen ook verschil maken. De Britse vakbond GMB steunt een rechtzaak van Uberchauffeurs die zeggen dat ze geen zzp’ers zijn, maar werknemers (op een vergelijkbare manier vecht het Duitse openbaar ministerie de zzp-status van Ryanair-piloten aan).

Zullen vakbonden hun best doen om de gig economy te organiseren, ook als dit een grote inspanning vergt? Wood:
There’s a high turnover of people and there’s low market bargaining power. If they go on strike it’s not going to bring the economy to a halt, unlike coal miners or rail workers.
Aan de andere kant, als vakbonden niets aan het verschijnsel doen, dan zullen zowel werkers als vakbonden uiteindelijk zwakker staan. Alice Martin van de New Economics Foundation suggereert dat er misschien nieuwe vakbonden moeten komen als traditionele bonden geen antwoord hebben op de gig economy.

Mags Dewhurst van the Independent Workers Union of Great Britain, die samen met de Deliveroo-koeriers campagne voerde, benadrukt dat laagbetaalde werknemers kunnen winnen:
The biggest problem people face is getting in contact with each other. Once they are in contact and they have decided to work with one voice, they have effectively unionised and the company is screwed.